Berekening van de opzeggingsvergoeding in geval van ontslag tijdens een periode van deeltijds tijdskrediet. Binnenkort witte rook uit de schouw van het Grondwettelijk Hof?



Lawyer - partner

De meeste personeelsdiensten zullen het al wel eens meegemaakt hebben. Een werknemer wordt ontslagen gedurende een periode van zogenaamd “deeltijds” tijdskrediet, dit is een periode waarin een werknemer slechts gedeeltelijk – halftijds dan wel 4/5 – werkt en voor het overige met tijdskrediet is. Hoe moet de opzeggingsvergoeding in geval van ontslag dan worden berekend? Op het deeltijdse loon, omdat de werknemer op het ogenblik van ontslag slechts deeltijds werkt? Of op het voltijdse loon, omdat de werknemer, zelfs al werkt hij slechts deeltijds, in oorsprong nog steeds door een voltijdse arbeidsovereenkomst met de werkgever is verbonden?

Verschillende rechtbanken hebben zich reeds over dit probleem gebogen. In de eerste plaats is er de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie volgens welk een opzeggingsvergoeding wordt berekend in functie van “het lopende loon” zoals het bestond op het ogenblik van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Ten aanzien van een “deeltijdse” tijdskredieter moet de opzeggingsvergoeding dus worden berekend op het deeltijdse loon.
 
Het (vroegere) Arbitragehof – het huidige Grondwettelijk Hof – zag (en ziet) hierin geen graten. Geen discriminatie, aldus het Hof: de wetgever heeft immers al in extra bescherming voor tijdskredieters (denk aan de bijzondere ontslagbeschermingsvergoeding) voorzien.
 
De lagere rechtspraak heeft deze visie niet steeds met het nodige begrip onthaald. Zo bijvoorbeeld achtte de Arbeidsrechtbank te Gent in 2009 deze visie “onlogisch”, en stelde dat een opzeggingsvergoeding wél – en hier kwam een eerste kentering – op het voltijdse loon moest worden berekend in het geval waar de reductie van de prestaties niet het gevolg was van de “vrije keuze van de werknemer”. Bijvoorbeeld wanneer een werknemer bij reorganisatie wordt gedwongen tot (deeltijds) tijdskrediet.
 
Op 22 oktober 2009 volgende een tweede kentering. Via diens arrest van 22 oktober 2009 heeft het Europese Hof van Justitie de interpretatie van het Hof van Cassatie, toegepast op het segment van het “ouderschapsverlof” (wat een bijzondere vorm van tijdskrediet is), strijdig geacht met de zogenaamde “ouderschapsverlofrichtlijn”. Volgens deze richtlijn blijven de op datum van ingang van het ouderschapsverlof door de werknemer verworven rechten of rechten in wording ongewijzigd behouden tot het einde van het ouderschapsverlof. Voor het Hof van Justitie was dit bijgevolg voldoende om België te dwingen om de reglementering op het stuk van de berekening van de opzeggingsvergoeding bij deeltijds ouderschapsverlof te wijzigen, wat de Belgische wetgever ook deed middels de Programmawet van 30 december 2009. Sinds die wet moet de opzeggingsvergoeding (evenals trouwens de beschermingsvergoeding) bij ontslag van een werknemer met (deeltijds) ouderschapsverlof steeds worden berekend op het voltijdse loon.
 
Een ander vonnis van de arbeidsrechtbank te Gent heeft de interpretatie van het Hof van Cassatie dan weer getoetst aan internationale normering inzake het verbod op discriminatie van deeltijdse werknemers, en deze eveneens strijdig bevonden.
 
Recent – met name middels een arrest van 10 januari 2011 – heeft het arbeidshof te Gent aan het Grondwettelijk Hof een vraag gesteld omtrent een mogelijke discriminatie tussen wie met deeltijds tijdskrediet is wegens ouderschapsverlof (en die dus recht heeft op een voltijds berekende opzeggingsvergoeding) en wie met deeltijds tijdskrediet is buiten ouderschapsverlof (en die dus maar recht heeft op een deeltijds berekende opzeggingsvergoeding). Wanneer het arrest mag worden verwacht, is (nog) niet duidelijk. Of de problematiek met dit arrest mag en kan worden verondersteld integraal van de baan te zijn, valt ernstig te betwijfelen, maar het zal minstens garant staan voor een volgende stap in dit vooralsnog onopgeloste juridische epos.
 
Wordt ongetwijfeld vervolgd.