Pas op vrije beroeper, onderscheid met handelaar vlakt af: toepasbaarheid wet marktpraktijken lonkt



Lawyer

De vrije beroeper ligt niet wakker van het traditionele handelsrecht. En terecht, althans tot voor kort. Het onderscheid tussen de handelaar en de vrije beroeper vlakt immers steeds meer af. De klassieke gevolgen zijn legio: enkel een handelaar kan failliet gaan, valt onder de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel, moet facturen spoedig protesteren, wordt geacht zich hoofdelijk te verbinden, etc. De vrije beroeper wordt van dit alles momenteel nog gespaard.

De overgang naar een “economisch” recht, met centraal een ruim concept van “onderneming” (dat tevens de vrije beroeper omvat), is echter niet langer te ontkennen (en is reeds te vinden in het mededingingsrecht). In lijn hiermee heeft het Grondwettelijk Hof met haar arrest van 6 april 2011 geoordeeld dat de uitsluiting van de vrije beroepsbeoefenaar uit het toepassingsgebied van de zgn. Wet Marktpraktijken en Consumentenbescherming (°2010; hierna WMPC) ongrondwettelijk is. De WMPC is van voornaam commercieel belang nu ze de betrekkingen tussen ondernemingen onderling en jegens consumenten regelt.
 
Of het arrest meteen de toepasbaarheid van de WMPC op de vrije beroeper impliceert, is geval per geval te bekijken. Voor een algehele inclusie van het vrij beroep is het vooralsnog wachten op de wetgever.
 
De toepassing van de WMPC is niet zonder belang: hoewel de vrije beroeper reeds onderhavig is aan eigen wetgeving, met name de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen (hierna de WVB), kan de WMPC minstens aanvullend van toepassing zijn. Van belang zijn onder meer het algemeen verbod op misleidende handelspraktijken jegens de consument (misleidende reclame, het veinzen van kwaliteitslabels, het organiseren van wedstrijden zonder de aangekondigde prijzen toe te kennen, etc.), de algemene zorgvuldigheidsplicht (“elke met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden” is verboden, aldus de WMPC - concreet gaat het om het onrechtmatig afwerven van cliënteel/personeel, het gebruiken van andermans handelsnaam, merknaam,…), etc. Ook aangelegenheden zoals e-commerce, vergelijkende reclame en onrechtmatige bedingen vinden we terug in de WMPC.
 
De ganse kwestie is anderzijds ook niet te overdrijven: bepaalde regelingen uit de WMPC zullen de facto sowieso niet van belang zijn in relatie met de vrije beroeper. Regelgeving omtrent benaming van oorsprong, etikettering, solden, uitverkoop, gezamenlijk aanbod, etc. zal jegens de vrije beroepsbeoefenaar uiteraard dode letter blijven.
 
De vrije beroeper zal voortaan echter waakzaam moeten zijn, en in het bijzonder oog moeten hebben voor het ruimere “economisch” ondernemingsrecht dat hem gelijkschakelt met de traditionele handelaar. Een grondige evaluatie van het marktgedrag zal zich zonder enige twijfel opdringen.