Een overeenkomst stopzetten? De ondernemer wikt en (de rechter) beslist



Avocat - associé

Twee partijen sluiten een samenwerkingsovereenkomst voor onbepaalde duur. Tijdens de samenwerking stelt de ene partij echter vast dat de andere haar rechtstreeks beconcurreert. Kan de partij die het slachtoffer wordt van deze praktijk onmiddellijk een einde maken aan de overeenkomst zonder instemming van de andere partij? Of moet ze dit aan de rechter overlaten?


Elke ondernemer die denkt in termen van efficiëntie meent wellicht dat hij zo snel mogelijk en zonder gedoe van zijn concurrerende medecontractant moet af zien te raken. Toch is voorzichtigheid geboden.
 
De Belgische wet voorziet immers geen veralgemeend recht op eenzijdige ontbinding als er een fout wordt vastgesteld in de uitvoering van een overeenkomst. Integendeel, artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek verplicht de gedupeerde partij naar de rechter te stappen vooraleer zij zich van haar medecontract kan ontdoen. Zodra er een overeenkomst gesloten is, zijn de partijen hier immers door gebonden. Enkel de rechter kan beoordelen of er fouten zijn begaan die een ontbinding verantwoorden, tenzij de overeenkomst uitdrukkelijk voorziet in een ontbindend beding.
 
Het vroegere scenario: op eigen houtje opzeggen en duur betalen
 
Tot voor kort had een gedupeerde ondernemer die af wilde van zijn medecontractant buiten de rechtbank om maar één mogelijkheid: de uitvoering van de overeenkomst tijdelijk opschorten. Wilde hij definitief af van zijn wederpartij, dan was hij genoodzaakt de overeenkomst op te zeggen. In dat geval hoefde hij niet langs de rechtbank te passeren en hoefde hij bovendien geen fout aan te tonen. De keerzijde van die procedure was wel dat hij de – doorgaans fikse – opzeggingsvergoeding die in de overeenkomst was voorzien diende te betalen.
 
Dit scenario strookt echter met geen enkel gevoel voor redelijkheid. Daarom zocht men in de praktijk naar een werkbare oplossing die een partij in staat moet stellen accuraat en direct een overeenkomst te beëindigen wanneer de wederpartij het niet nauw neemt met de uitvoering van haar eigen verbintenissen.
 
Feitelijke beëindiging wegens wanprestatie
 
Het Hof van Cassatie – nochtans niet meteen de instantie die het dichtst bij de ondernemer staat – opende enkele jaren geleden de poort voor de feitelijke beëindiging wegens wanprestatie (dit werd soms verwarrend benoemd als ‘buitengerechtelijke ontbinding’). In zijn arresten van 2 mei 2002 en 16 februari 2009 erkende het Hof dat een partij die het slachtoffer is geworden van een wanprestatie van de wederpartij op eigen gezag en op eigen risico kan beslissen haar verbintenissen niet uit te voeren, en de wederpartij kan laten weten dat ze de overeenkomst als beëindigd beschouwt. De rechtmatigheid van een dergelijke beslissing kan gecontroleerd worden door de rechter.
 
Een overeenkomst kan echter niet om het even hoe worden beëindigd. De gedupeerde partij moet zich als het ware in de plaats van de rechter stellen en nagaan of de fout van haar medecontractant zo ernstig is dat ook de rechter de overeenkomst zou ontbinden wegens wanprestatie. Bovendien moet de wederpartij vóór de beëindiging in gebreke worden gesteld, althans voor zover dit nog een nuttig gevolg kan hebben.
 
Een riskante afweging
 
De inschatting die de ondernemer moet maken is dus niet eenvoudig, en bij momenten zelfs riskant. Als de rechter achteraf vaststelt dat de tekortkoming niet voldoende zwaar was, kan de ondernemer die de overeenkomst beëindigde dat feit als een boemerang terugkrijgen. De beëindiging zelf kan in dat geval immers als een fout worden gezien, waarvoor hij een schadevergoeding moet betalen.
 
De rechtbank is sowieso nooit ver weg bij dit soort geschillen. Als een van de partijen een schadevergoeding wil en/of teruggebracht wil worden in de situatie alsof er nooit een overeenkomst heeft bestaan, dan kan enkel de rechter daarover beslissen.