En hedde gij meubelen, en hedde gij huisgerief… Het gevaar van de verkoop van meubels om aan schuldeisers te ontsnappen



Avocat - associé

Een zaakvoerder doet grote opnames in rekening-courant van zijn vennootschap, die hij niet aanzuivert voor het faillissement van de vennootschap. Drie weken nadat de curator betaling van de rekening-courantschuld vordert, verkopen de zaakvoerder en zijn echtgenote hun volledige en uitgebreide huisraad voor een symbolische prijs aan de vader van de echtgenote, waarna het echtpaar de meubels gratis terug ter beschikking krijgt. De verkoopovereenkomst wordt uiteindelijk voorgelegd aan de deurwaarder die beslag komt leggen. Het echtpaar meent dat hun onvermogen vaststaat en dat de kous daarmee af is.

De Rechtbank van Koophandel in Brugge maakte in een recent gepubliceerd vonnis komaf met deze praktijk en verklaarde de overeenkomst niet tegenstelbaar. Dit betekent dat een derde partij (in dit geval de curator) er geen rekening mee hoeft te houden.

Actiemiddelen tegen bedrieglijke benadeling
 
Een schuldenaar die meent zijn schuldeisers te slim af te zijn door zijn beslagbare goederen voor een habbekrats te verkopen aan een bevriende derde moet oppassen. Zo’n verkooptransactie kan hem zuur opbreken. De gedupeerde schuldeiser beschikt immers over de zogenaamde pauliaanse vordering, die hem toelaat op te komen tegen de handelingen die zijn schuldenaar heeft verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeiser. Slaagt de schuldeiser in zijn opzet, dan hoeft hij geen rekening te houden met de bedrieglijke handeling en kan hij handelen alsof deze nooit heeft plaatsgevonden. De pauliaanse vordering vormt de belangrijkste uitzondering op het beginsel van tegenstelbaarheid van contracten aan derden. Dit principe houdt in dat derden die geen partij zijn bij een overeenkomst normaal gezien deze overeenkomst moeten respecteren.
 
Voor een succesvol beroep op de pauliaanse vordering moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn:
1. De schuldvordering moet ontstaan zijn vooraleer de bedrieglijke handeling werd gesteld.
2. Er moet een nadeel zijn voor de schuldeiser.
3. Er moet sprake zijn van bedrog door de schuldenaar.
4. De medecontractant moet hiervan op de hoogte zijn geweest.
 
Deze voorwaarden zijn vrij evident. Het kan immers niet de bedoeling zijn normale, economisch verantwoorde transacties door de schuldenaar te viseren. Enkel door abnormale transacties kan de schuldeiser eventueel schade lijden. Om te vermijden dat elke transactie tegen het licht kan worden gehouden, is bovendien vereist dat zowel de schuldenaar als zijn medecontractant wisten dat de schuldeiser(s) benadeeld zou(den) worden.
 
De klassieke toepassing van de pauliaanse vordering is gericht tegen handelingen van de schuldenaar zelf. Dit geldt doorgaans ook voor de pauliaanse vordering waarover de curator beschikt, de zogenaamde faillissementspauliana. De curator kan steeds proberen bedrieglijke transacties die erop gericht zijn de schuldeisers van de failliete vennootschap te benadelen niet-tegenstelbaar te laten verklaren aan het faillissement. De curator treedt in dit geval op als vertegenwoordiger van alle schuldeisers in het faillissement.
 
Betwiste argumenten
 
In het hogergenoemde geval dacht de zaakvoerder de curator te slim af te zijn door op te werpen dat niet de failliete vennootschap maar hijzelf de geviseerde verkoopovereenkomst had gesloten, zodat de curator geen vordering tegen hem kon instellen. De rechtbank veegde dit argument van de tafel. Niet alleen handelingen van de schuldenaar-gefailleerde (in dit geval de vennootschap) kunnen worden bestreden, maar ook handelingen van de schuldenaar van de gefailleerde, in dit geval de zaakvoerder.
 
Ook het argument van de zaakvoerder en zijn echtgenote dat de curator sowieso niet benadeeld was door deze verkoop, omdat de goederen eigendom waren van het echtpaar, terwijl de schuld in rekening-courant enkel werd aangegaan door de zaakvoerder, werd niet aanvaard. De rechtbank oordeelde terecht dat de schuld in rekening-courant een voor de echtgenoten gemeenschappelijke schuld is, zodat zij samen moeten instaan voor de betaling ervan.
 
De rechtbank besloot dus dat de verkoop van alle meubels voor een belachelijk lage prijs de rechten van de schuldeisers had benadeeld en verklaarde deze overeenkomst niet-tegenstelbaar. Dit had zowel voor de schoonvader als het echtpaar een bijzonder vervelend effect. De meubels keerden terug in het vermogen van het echtpaar en konden door de curator worden verkocht. De schoonvader was het geld dat hij voor de meubels betaald had kwijt.
 
Hoewel dit niet aan de orde was in dit vonnis, liepen het echtpaar en de schoonvader ook het risico strafrechtelijk vervolgd te worden. Op het moedwillig en bedrieglijk organiseren van het eigen onvermogen staan immers gevangenisstraffen.
 
Schuldenaars denken dus beter twee keer na vooraleer ze hun toevlucht zoeken tot de schijnbare mirakeloplossing van de verkoop van hun goederen. Ze zouden er wel eens heel bekaaid van af kunnen komen.
 
(Kh. Brugge, 6 juni 2011, R.W. 2012-2013, p. 671)