Heiligt het doel de middelen bij bewijsvergaring in handelszaken?



Advocaat - vennoot

Een bedrijf vermoedt dat enkele van haar zelfstandige medewerkers via de pc’s van het bedrijf plannen smeden om een concurrerende activiteit op te starten. Mag het bedrijf, ter bewijs van de concurrentie, in die mailboxen speuren naar de bewuste e-mails en wat als het bedrijf per toeval in het bezit komt van die e-mails? Is er naar rechtmatigheid van bewijs, in handelszaken, een verschil in behandeling hoe de e-mailberichten zijn bekomen door het bedrijf ?  

Binnendringen in mailbox
 
Een bedrijf moet zich er goed van bewust zijn dat de mailbox in een pc die haar toebehoort, niet zondermeer als “haar” mailbox kan worden aanzien en vrij kan worden geconsulteerd en gelezen. Ons strafrecht kent zelfs een principieel verbod van kennisname van e-mailcommunicatie (art. 314bis Sw.). Als men als bedrijf(sleider), zonder de toestemming van de betrokkenen, opzettelijk via een of andere softwaretoepassing kennis neemt of laat nemen (bijvoorbeeld door een privé-detective of een IT-bedrijf) van privé-(tele)communicatie waaraan men zelf niet deelneemt, is men dus strafbaar. Vereist is dat de kennisname gebeurt tijdens de overbrenging, dat wil zeggen tijdens het traject tussen de afzender en de bestemmeling.
 
Belangrijk is dat e-mails uitgewisseld op het bedrijf toch als privé-(tele)communicatie kunnen worden aanzien. De term “privé” is daarom misleidend, want ze omvat mogelijks ook professionele of zakelijke communicatie. E-mailverkeer is privé wanneer ze niet bestemd is om door anderen dan diegene die deelnemen aan het betreffend communicatieverkeer, ontvangen te worden. De kwalificatie “privé” hangt dus eerder af van de context en de intenties dan de plaats vanwaar het e-mailverkeer wordt gevoerd.
 
Een bedrijf dat als inquisiteur te werk gaat om bewijs te vergaren, stelt zich met andere woorden bloot aan strafvervolging.
 
Toevallig in het bezit komen van e-mails
 
Betekent dit dan dat een bedrijfsleider die zomaar in het bezit komt van een e-mail, bijvoorbeeld omdat die e-mail hem wordt doorgezonden door een bestemmeling of omdat die op de printer is achtergebleven, de kwestieuze e-mail altijd zal mogen aanwenden als bewijs? Toch niet.
 
Er is immers nog zoiets als het telecommunicatiegeheim, dat gezien wordt als een specifieke toepassing van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor elektronische communicatie.
 
Elektronische communicatie beslaat ook communicatie per e-mail. Dergelijke communicatie wordt wettelijk beschermd en legt een specifiek verbod op aan iedereen (wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie). Niemand mag, zonder de toestemming van alle andere betrokken personen, opzettelijk kennis nemen van het bestaan van informatie die via elektronische weg is verstuurd en die niet persoonlijk voor hem bestemd is. Ook is het zonder die toestemming verboden om informatie, identificatie of gegevens die met opzet of zonder opzet werden verkregen, te gebruiken op welke manier dan ook. Niet alleen maakt het bedrijf zich dus strafbaar als die regel niet wordt gevolgd maar zal zij, indien zij de betreffende e-mail wil gebruiken als bewijs in procedure, de toestemming nodig hebben van zowel de afzender van het bericht als van elke bestemmeling. Als die toestemming er niet is, kan de andere partij zich verzetten tegen het gebruik ervan en de rechter vragen die e-mail als onrechtmatig (verkregen) bewijs te weren uit de debatten of minstens elke bewijswaarde te ontzeggen.
 
Mogelijke conflicten met andere (grond)rechten
 
Zelfs al men zich als bedrijf niet strafbaar maakt en niemand de wettelijke bescherming voor elektronische communicatie inroept, dan nog kunnen e-mails stoten op andere bezwaren als ze als bewijs worden gebruikt in procedure.
 
E-mailverkeer dat als privé kan worden bestempeld, wordt door de wet immers ook beschermd door het fundamentele recht op privacy en, hoewel door sommigen betwist, het briefgeheim. Ook kan het kennisnemen van privécommunicatie een vorm van verwerking van gegevens uitmaken en dus onderworpen zijn aan de beperkingen in de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van verwerking van persoonsgegevens.
 
Er kan zich bijgevolg een conflict stellen tussen het recht op behoorlijke bewijsvoering van het bedrijf enerzijds en de (grond)rechten van de afzender en/of bestemmeling van de kwestieuze e-mail anderzijds. Ook in burgerlijke zaken is een tendens merkbaar dat de rechter een belangenafweging maakt over welk recht in dat geval prioriteit geniet en bestaat er aldus de kans dat de e-mails geweerd worden als onrechtmatig bewijs.
 
Conclusie
 
Loont het dan niet om met e-mailberichten als bewijs af te komen zo er vrees bestaat dat deze geweerd worden uit de debatten? Dat kan zeker niet worden gezegd. Vooreerst omdat de regelgeving dikwijls noodzakelijkerwijs een belangenafweging inhoudt en men als partij dus niet bij voorbaat met zekerheid kan weten in welke richting de weegschaal zal overhellen. Maar zelfs al ziet de rechter zich finaal verplicht om de kwestieuze correspondentie te weren als onrechtmatig bewijs, dan nog heeft de rechter hiervan wel al kennis kunnen nemen én genomen. Weliswaar kan hij zich voor zijn oordeel niet langer op die stukken baseren maar een rechter blijft per slot van rekening een mens van vlees en bloed. Als zijn innerlijke overtuiging een bepaalde richting uitgaat, mogelijks indirect beïnvloed door de geweerde stukken, kan hij desnoods een andere (juridische) kapstok vinden om die partij alsnog in het gelijk te stellen.