Potpourri II: Minister Geens schudt hoger beroep in strafzaken dooreen



Advocaat

De eerste Potpourri Wet is nog maar half verteerd of daar is Minister van Justitie Koen Geens met het tweede deel van zijn geplande Potpourri-vierluik. Het is een nieuwe stap in zijn “Justitieplan”, dat als doel heeft de werklast van justitie te verminderen en de procedures efficiënter te maken, zonder te raken aan de rechten van procespartijen. Na de burgerlijke procedure in Potpourri I, volgt in deel II de strafrechtelijke procedure.

De media had het vooral over de uitholling van het Hof van Assisen door de veralgemening van de correctionaliseerbaarheid van zowat alle zware misdaden. Voor het ondernemings- & sociaal strafrecht zijn echter de wijzigingen inzake het hoger beroep van belang.

Verplicht formuleren van grieven

Tot voor Potpourri II (de Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie) kon hoger beroep gemakkelijk worden ingesteld door een eenvoudige verklaring ter griffie. Het gebrek aan (gedwongen) bezinning hierover inspireerde partijen of hun advocaten vaak tot niet veel meer dan het proces dunnetjes overdoen met de idee “je weet maar nooit wat het oplevert” of “baat het niet, veel schaden zal het wel ook niet”.

De nieuwe regels inzake hoger beroep streven naar een zogenaamd “voortbouwend appel”. De hervorming moet ervoor zorgen dat het hoger beroep gericht is op het wegwerken van specifieke onvolkomenheden in het vonnis dat wordt bestreden in plaats van het proces in zijn geheel opnieuw behandelen. De wetgever wil zo de instroom van strafrechtelijke beroepsprocedures beperken door de ontvankelijkheid ervan te laten afhangen van een nauwkeurige opsomming van de grieven van de appellant. Concreet wil dit zeggen dat wie vanaf 1 maart 2016 hoger beroep wil aantekenen, zijn redenen hiervoor moet verduidelijken in twee akten.

De eerste akte blijft de verklaring ter griffie, zoals die reeds bestond voor Potpourri II. Daarnaast moet de appellant, als tweede in te dienen akte, een verzoekschrift opstellen met daarin zijn specifieke grieven. Deze grieven zijn de concrete punten en de redenen, formeel of inhoudelijk, waarom de beslissing in eerste aanleg moet worden gewijzigd. Om dit verzoekschrift in te dienen kan gebruik worden gemaakt van het “grievenformulier” dat ter beschikking is gesteld met het KB van 18 februari 2016. Het gebruik van dit model is evenwel niet verplicht.

Het hoger beroep zal zich dan beperken tot hetgeen door de eisende partij werd opgenomen in het verzoekschrift. Wanneer bij voorbeeld de grieven in het verzoekschrift enkel betrekking hebben op de strafmaat, dan zal over de schuldvraag niet meer gedebatteerd kunnen worden in graad van beroep. Deze regel geld voor zowel de beklaagde, de burgerlijke partij, als voor het openbaar ministerie. Het doel is de beroepsprocedures efficiënter te laten verlopen. Zowel de partijen als de rechters zullen meteen een duidelijk zicht hebben op de aard en de omvang van het beroep.

Indien het hoger beroep wordt ingesteld zonder het verzoekschrift en dus zonder opgave van de grieven, dan vervalt het hoger beroep en is het, met andere woorden, niet ontvankelijk. Het is daarbij niet mogelijk om het ontbreken van de concrete grieven te regulariseren door tijdens de debatten een nieuw (vervangend) verzoekschrift in te dienen.

Dit alles doet echter geen afbreuk aan de actieve rol die de strafrechter in hoger beroep nog te vervullen heeft. In het geval partijen nalaten of vergeten bepaalde punten op te werpen die de openbare orde raken, moet de rechter deze nog steeds zelf ambtshalve opwerpen. De rechter blijft dus verplicht om onder andere zijn bevoegdheid, de kwalificatie als misdrijf van de feiten en de verjaring te controleren.

Termijn voor hoger beroep

Omdat het opstellen van een verzoekschrift meer tijd vergt dan een loutere verklaring ter griffie, voorziet Potpourri II voor de betrokken partijen (de beklaagden en de burgerlijke partijen) in een verlenging van de termijn om hoger beroep in te stellen van 15 dagen naar 30 dagen. Ook het parket beschikt over dezelfde termijn van 30 dagen om hoger beroep in te stellen maar krijgt bovendien nog 10 extra-dagen wanneer de beklaagde of burgerlijke partij hoger beroep instelt en het parket een zogenaamd “volgappel” wil instellen.

De procureur-generaal of het openbaar ministerie bij de rechtbank die van het hoger beroep kennis moet nemen, beschikt steeds over een termijn van 40 dagen om hoger beroep in te stellen.

De burgerlijke partij tenslotte krijgt eveneens een bijkomende termijn van 10 dagen in het geval hoger beroep wordt ingesteld tegen haar. Die extra termijn biedt de burgerlijke partij dan de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen beklaagden of burgerrechtelijke aansprakelijke partijen die zij in de zaak wil houden, ook indien zij zelf geen beroep instelden of in het geval tegen hen geen beroep werd ingesteld. Een burgerlijke partij heeft daarnaast nog steeds de mogelijkheid om een zogenaamd “incidenteel” hoger beroep in te stellen bij conclusie en dit zolang de debatten niet gesloten zijn wat zijn burgerlijke vordering betreft. Een incidenteel beroep is een tegenberoep tegenover de partij (de beklaagde) die zelf eerst beroep instelde tegen degene van wie het incidenteel beroep uitgaat (de burgerlijke partij).

Afstand van hoger beroep

Potpourri II maakt het vanaf nu ook mogelijk voor partijen en ook voor het parket om via een verklaring ter griffie of zelfs op de pleitzitting afstand te doen van hun hoger beroep of de draagwijdte ervan te beperken. Afstand door de ene partij bindt dan uiteraard de andere partij(en) niet.

Die afstand of beperking van het beroep kan trouwens opnieuw ingetrokken worden tot zolang er geen akte is van verleend door het hof of de rechtbank die er kennis van moet nemen.

Een partij tegen wie hoger beroep inzake de burgerlijke vordering is ingesteld, kan de afstand of beperking van het beroep van de beklaagde weigeren indien hij incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.

Verzet

Verder werd in Potpourri II ook getornd aan het verzet. Anders dan bij beroep, wordt bij verzet het gewezen vonnis, dat per definitie een verstekvonnis moet zijn, bestreden bij dezelfde rechter. Om tijd te rekken en zo mogelijk verjaring van de strafvordering uit te lokken, laten partijen soms opzettelijk verstek gaan, zowel in eerste aanleg als in graad van beroep. Zo wordt hun zaak dan vier keer behandeld – op verstek en op verzet in zowel eerste aanleg als in beroep – wat de totale loopduur van de procedure gevoelig kan verlengen. Vooral bij misdrijven met korte verjaringstermijnen kon hiermee wel eens verjaring (en dus straffeloosheid) uitgelokt worden.
De verzetsmogelijkheden in strafzaken worden door Potpourri II teruggeschroefd. Vanaf nu zal de bij verstek veroordeelde moeten aantonen dat hij een wettelijke reden van verschoning had voor zijn afwezigheid op de zitting. Zo bijvoorbeeld het feit (en het bewijs daarvan) dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van de dagvaarding. Waar verzet vroeger altijd mogelijk was na verstek, zou dit nu de uitzondering worden.

Inwerkingtreding

Deze regels zijn allemaal reeds in werking getreden op 1 maart 2016.

Potpourri II een stap vooruit?

Het ultieme doel van de hervorming inzake hoger beroep is het verminderen van het aantal zaken in hoger beroep en het verminderen van de duur van de debatten. Het Justitieplan stelt duidelijk de doelstelling voorop om van een definitieve (en kwaliteitsvolle) afhandeling van de procedure in eerste aanleg de regel te maken. De hervormingen zijn duidelijk geïnspireerd door verzuchtingen en suggesties van magistratuur, gerechtspersoneel en rechtspractici zodat er goeie hoop is dat zij effectief zullen bijdragen tot de efficiëntie van justitie in strafrechtelijke procedures.