Geen socialezekerheidsbijdragen op gedeelte van opzeggingsvergoeding waarvan afstand werd gedaan



In een geschil tussen werkgever en werknemer had de arbeidsrechtbank de werkgever veroordeeld tot betaling van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met 9 maanden loon. Na dit vonnis hadden de werkgever en de werknemer een dading gesloten. Daarin verbond de werkgever zich ertoe een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met 6 maanden loon (het wettelijk minimum) te betalen en geen hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis. De RSZ was echter van oordeel dat zij socialezekerheidsbijdragen op een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met 9 maanden loon kon eisen, hoewel er maar 6 maanden betaald was. De dading zou niet aan haar tegenstelbaar zijn.

In haar arrest van 18 januari 2016 oordeelt het Hof van Cassatie dat de dading wel degelijk tegenstelbaar is aan de RSZ, waardoor zij gehouden is de gevolgen ervan te erkennen. Zij kan met andere woorden enkel bijdragen innen op de opzeggingsvergoeding van 6 maanden loon.

Deze rechtspraak nuanceert een eerder arrest van het Hof van Cassatie van 18 november 2002. Daarin had het Hof geoordeeld dat er wel socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn op eindejaarspremies waarvan werd overeengekomen dat ze niet moesten worden betaald. De bepaling van de bijdragen was volgens het Hof van Cassatie niet afhankelijk van de effectieve betaling van het loon, maar wel van het verschuldigd zijn van het loon. Op basis van het arrest van 18 januari 2016 kan echter niet geoordeeld worden dat deze rechtspraak van 2002 volledig wordt verlaten. (Hof van Cassatie 18 januari 2016, S.15.0040.F/9)