Grondwettelijk Hof schept duidelijkheid omtrent de geldigheid van opzeggingsclausules gesloten vóór 1 januari 2014



Grondwettelijk Hof schept duidelijkheid omtrent de geldigheid van opzeggingsclausules gesloten vóór 1 januari 2014
In een arrest van 18 oktober 2018 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de conventionele opzeggingsclausules in arbeidscontracten van hogere bedienden gesloten vóór 1 januari 2014 nog altijd geldig zijn. Hiermee wordt een definitief einde gesteld aan de uiteenlopende rechtspraak volgens welke de opzeggingsclausules nu eens wel, dan weer niet buiten beschouwing werden gelaten. Aan de grondslag van deze uiteenlopende visie lag enerzijds een duidelijke wettekst die geen ruimte liet tot toepassing van de opzeggingsclausules en anderzijds de parlementaire voorbereidingen volgens welke toch rekening moest worden gehouden met de legitieme verwachtingen van de werkgever en de werknemer.

Het praktische gevolg daarvan is dat rechtbanken voortaan rekening moeten houden met geldige opzeggingsclausules gesloten vóór 1 januari 2014 bij het bepalen van de opzeggingstermijn gekoppeld aan de anciënniteit verworven op 31 december 2013 (de zgn. “stap 1” in de berekening van de opzeggingstermijn). De forfaitaire regels uit het eenheidsstatuut zijn in dat opzicht enkel nog toepasselijk als er ten laatste op 31 december 2013 geen opzeggingstermijn was overeengekomen.

Het Grondwettelijk Hof onthield zich evenwel uitspraak te doen over de toepasbaarheid van conventionele opzeggingsclausules gesloten vóór 1 januari 2014 op het gedeelte van de opzeggingstermijn van na die datum (de zgn. “stap 2”). Bijgevolg kan hierover nog steeds discussie rijzen.