Een evergreen: concurrentie door voormalige bestuurders



Bram Baert
Advocaat - vennoot

Weinig ondernemers blijven ervan gespaard: een commercieel medewerker die vertrekt naar de concurrentie en klanten meeneemt. Leuk is anders. Als de concurrentie met oneerlijke praktijken gepaard gaat of er rechtsgeldige niet-concurrentieverbintenissen bedongen werden, kun je er ook juridisch tegen opkomen. Maar hoe zit het eigenlijk met concurrentie door voormalige bestuurders van vennootschappen?

De relatie tussen een vennootschap en haar bestuurders is van een fundamenteel andere orde dan de verhouding tussen een onderneming en haar werknemers. Het bestuur raakt de essentie van de vennootschap. Bestuurders hebben de plicht te handelen in het belang van de vennootschap en hun persoonlijk belang daaraan ondergeschikt te maken. Deze loyaliteitsplicht houdt onder meer in dat een bestuurder tijdens de uitoefening van zijn mandaat geen concurrerende onderneming mag opstarten. Hij mag ook geen diensten verstrekken aan concurrenten van de vennootschap waarvan hij bestuurder is, geen aandelen in concurrerende vennootschappen verwerven of er bestuursmandaten in opnemen. Toch niet zonder toestemming van de algemene vergaderingen van de betreffende vennootschappen.

Deze principes zijn klaar en duidelijk. Maar wat met niet-concurrentie na afloop van een bestuursmandaat? Kan een voormalig bestuurder ongebreideld concurreren met de vennootschap die hij tot voor kort bestuurde? Vaak wordt aangenomen dat niet-concurrentieverbintenissen een einde nemen op het ogenblik dat ook het mandaat eindigt. Op situaties van oneerlijke marktpraktijken na, die altijd en overal uit den boze zijn, zou een voormalig bestuurder de vennootschap die hij voordien (mee) bestuurde dus wel onmiddellijk kunnen beconcurreren. Nochtans blijven ook na het einde van een mandaat bepaalde verbintenissen doorwerken. Zo spreekt het voor zich dat een bestuurder, die in het kader van de uitoefening van zijn mandaat uiteraard kennis krijgt van bedrijfs- en andere geheimen van de vennootschap, deze geheimen na het einde van zijn mandaat niet te grabbel mag gooien. Ook na zijn mandaat blijft hij gehouden tot geheimhouding en discretie. Ook bepaalde niet-concurrentieplichten blijven tijdelijk bestaan na het einde van een bestuursmandaat, bijvoorbeeld voor een bestuurder die mede het commercieel gezicht van de vennootschap was.

In een recent belangwekkend arrest legde het hof van beroep te Antwerpen op basis van deze principes een concurrentieverbod van twaalf maanden op aan een gewezen bestuurder van een vennootschap met een sterk persoonsgebonden karakter, die (mede) verantwoordelijk was voor het aantrekken en behouden van cliënteel van die vennootschap. Door de vennootschap onmiddellijk te beconcurreren eigende de bestuurder zich cliënteel toe dat toebehoorde aan de vennootschap die hij voorheen mee bestuurde.

Toch zal niet altijd aangenomen worden dat niet-concurrentieverbintenissen ook na het einde van een bestuursmandaat tijdelijk doorwerken. Het verdient hoe dan ook aanbeveling daarover duidelijke contractuele afspraken te maken voor aanvang van het mandaat.